|
Na een tiental bezoeken aan het café heb ik nog meer indrukken verzameld van de dronkaards, kunstenaars en onnozelaars: het zijn inderdaad dronkaards, kunstenaars en onnozelaars die in het café komen. Arne zweeft er wat tussen als een beetje van alles, maar bovenal als de gedreven idealist, uit overtuiging en wegens arbeidsovereenkomst. Er zijn de echte zattekloten, die zich aan ijltempo zatzuipen aan jenevertjes, of al zat binnenkomen nog vroeg op de avond, en er zijn de onnozelaars, die getuige hun stemvolume graag wat aandacht krijgen. Niet zelden zijn zij ook strontzat, en maken ambiance met hun platvloerse commentaren op anderen, en zichzelf. Dan zijn er de kunstenaars, die ondanks dat ze ook geen water drinken, toch er in slagen nog wat deftig te blijven rechtzitten, niet zichtbaar zat. Althans, toch niet op dit uur. Later, wie later nog blijft hangen zuipt zich waarschijnlijk ook nog wel lazerus. En ik, geheel tegen mijn natuur in rook ik niet, drink ik niet, pak geen pillen of wat voor drugs dan ook, vanwege slepende maagklachten. Het is bevreemdend om als enige nuchtere, tussenin zo’n bedwelmde meute te staan. Ik ben niet dronken genoeg om ‘gewoon’ te doen, nee ik stel me ofwel te serieus of te belachelijk op. De middenweg is goud, goud van Leffe en Duvel, maar ik mag er niet aan zitten. Dus noodgedwongen kies ik stelling als observator. Zonder namen te noemen, die forse farse daar kan voor problemen zorgen met nog zo weinig bloed in z’n alcohol. Ik houd hem in de gaten. Er komt weer een oude turk binnen met flikkerende fopspenen. Er sneuvelt weer een glas. Ik muis er gauw van tussen, naar een afspraak met m’n dochter om thuis tiramisu te maken. De trein wacht niet.
|