|
Kerstgedicht Er was geen plaats in de herberg. Een jong koppel, uit een andere streek, ongehuwd, zij hoogzwanger. Ook in het opvangcentrum mochten ze niet naar binnen. Zij werden van het kastje naar de muur gestuurd, van Pontius naar Pilatus door cynische bestuurders, door harteloze bewoners, door geldgierige eigenaren. Zij waren immers vreemd in deze streek, en arm. Daarom kraakten zij een leegstaand armoedig optrekje, zonder meubilair. Het leek wel een stal. Op een strooien matras die er lag beviel de jonge vrouw van een jongetje. Zij bleven er hokken tot zij er uitgezet werden. Niemand zou aan dit mensonterend voorval verder aandacht hebben geschonken, ware het niet dat de jongen later wereldberoemd is geworden vanwege zijn performances. Zo komt het dat deze gebeurtenis al meer dan twee millenia jaarlijks herdacht wordt op vijfentwintig december, het feest van de krakers. Herman J. Claeys
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
www.hermanclaeys.tk
De jongen met de zwavelstokjes feestgedicht voor oud-en-nieuw, naar Andersens sprookje “Het meisje met de zwavelstokjes” De jongen met de lucifers schuimt de drankhuizen af, struint langs volgeboekte restaurants, in de vrieskou van midwinter, door het koude hart van de heet gestookte metropool. Lucifers voor een dubbeltje ! Aanstekers voor vijftig cent ! Voetzoekers voor een euro ! Honger lijden in de geur van kalkoengebraad, verkleumen onder de rook van fornuizen, thuisloos dolen tussen de woekerende leegstand in de verkankerde stad. De welgedane eigenaren van de dure verwarmde terrassen pramen de gezeten bestuurders om de gratis zitbanken te verwijderen van het plein vanwege die clochards die de kerstboom ontsieren, vanwege die rare libertaire hangjongeren, vanwege dat blonde Meisje met de Zwavelstokjes, vanwege die bruine jongen met de aanstekers die de nieuwjaarsillusie van weelde en welstand vergallen. Onder de klaterende kerstkitsch van de stervende evergreen reuzenspar vol twinkelende valse sterren en behangen met verpakte nepcadeaus zit de jongen met de lucifers te kwijnen. Hallucinerend steekt hij - zoals in een Grimmig sprookje van Andersen - de droomboom in brand tot een torenhoge toorts, steekt hij de harteloze stad in brand, steekt hij de wrede wereld in brand, tot een kolkende zee van vlammen waarboven hij in een wolk van sprankels triomferend uitstijgt naar zijn hemel van merriment and happiness, van zaligheid en geluk. “Duivelse jongen met de solferstekjes, loop naar de hel !” Herman J. Claeys (uit de cyclus Welvaartskloven). nadruk en mailing vrij, mits e-mail en web-link vermeld worden
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
www.hermanclaeys.tk)
|