|
Het bittere leed dat mijn zinnen in brand zette,
spoelt dieper in mij naar waar het me zuur opbreekt.
Er is geen last zo groot als het torsen van de eigen smaad.
Giftig venijn van de hoogste graad, eet bijt vreet in mij, aan mij.
Het doet me enkel kwaad.
Door, door moet het, door mij, en er uit.
Transparant en leeggewaaid wil ik zijn.
|